bakeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bakeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bakeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bakerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebakerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbaker
jijbakert
hijbakert
wijbakeren
julliebakeren
zijbakeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebakerd
jijhebt gebakerd
hijheeft gebakerd
wijhebben gebakerd
julliehebben gebakerd
zijhebben gebakerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbakerde
jijbakerde
hijbakerde
wijbakerden
julliebakerden
zijbakerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebakerd
jijhad gebakerd
hijhad gebakerd
wijhadden gebakerd
julliehadden gebakerd
zijhadden gebakerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bakeren
jijzult bakeren
hijzal bakeren
wijzullen bakeren
julliezullen bakeren
zijzullen bakeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebakerd hebben
jijzult gebakerd hebben
hijzal gebakerd hebben
wijzullen gebakerd hebben
julliezullen gebakerd hebben
zijzullen gebakerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bakeren
jijzou bakeren
hijzou bakeren
wijzouden bakeren
julliezouden bakeren
zijzouden bakeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebakerd hebben
jijzou gebakerd hebben
hijzou gebakerd hebben
wijzouden gebakerd hebben
julliezouden gebakerd hebben
zijzouden gebakerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbaker

Translations

  • swaddle, to bind a baby
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch bakeren. Equivalent to baker + -en.

    Additional Information