begroeten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of begroeten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: begroeten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: begroetend
Past participle - Verleden deelwoord: begroet

Cognates

See the 2 cognates of begroeten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbegroet
jijbegroet
hijbegroet
wijbegroeten
julliebegroeten
zijbegroeten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb begroet
jijhebt begroet
hijheeft begroet
wijhebben begroet
julliehebben begroet
zijhebben begroet

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbegroette
jijbegroette
hijbegroette
wijbegroetten
julliebegroetten
zijbegroetten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad begroet
jijhad begroet
hijhad begroet
wijhadden begroet
julliehadden begroet
zijhadden begroet

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal begroeten
jijzult begroeten
hijzal begroeten
wijzullen begroeten
julliezullen begroeten
zijzullen begroeten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal begroet hebben
jijzult begroet hebben
hijzal begroet hebben
wijzullen begroet hebben
julliezullen begroet hebben
zijzullen begroet hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou begroeten
jijzou begroeten
hijzou begroeten
wijzouden begroeten
julliezouden begroeten
zijzouden begroeten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou begroet hebben
jijzou begroet hebben
hijzou begroet hebben
wijzouden begroet hebben
julliezouden begroet hebben
zijzouden begroet hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbegroet

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

groeten
ontvangen, verwelkomen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch begroeten, from Old Dutch *bigruoten, from Proto-Germanic *bigrōtijaną. Equivalent to be- + groeten.

Verbs referencing "begroeten"

German, old spelling begrüßen, English begreet, Frisian, Saterlandic begröitje.

Additional Information