aftasten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aftasten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aftasten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aftastend
Past participle - Verleden deelwoord: afgetast

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktast af
jijtast af
hijtast af
wijtasten af
jullietasten af
zijtasten af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgetast
jijhebt afgetast
hijheeft afgetast
wijhebben afgetast
julliehebben afgetast
zijhebben afgetast

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktastte af
jijtastte af
hijtastte af
wijtastten af
jullietastten af
zijtastten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgetast
jijhad afgetast
hijhad afgetast
wijhadden afgetast
julliehadden afgetast
zijhadden afgetast

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aftasten
jijzult aftasten
hijzal aftasten
wijzullen aftasten
julliezullen aftasten
zijzullen aftasten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgetast hebben
jijzult afgetast hebben
hijzal afgetast hebben
wijzullen afgetast hebben
julliezullen afgetast hebben
zijzullen afgetast hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aftasten
jijzou aftasten
hijzou aftasten
wijzouden aftasten
julliezouden aftasten
zijzouden aftasten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgetast hebben
jijzou afgetast hebben
hijzou afgetast hebben
wijzouden afgetast hebben
julliezouden afgetast hebben
zijzouden afgetast hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtast af

Translations

  • explore, to examine or investigate something systematically
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    peilen
    polsen, uitvissen

    Sample Sentences

    Etymology

    From af + tasten.

    Additional Information