groeten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of groeten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: groeten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: groetend
Past participle - Verleden deelwoord: gegroet

Cognates

See the 8 cognates of groeten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgroet
jijgroet
hijgroet
wijgroeten
julliegroeten
zijgroeten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegroet
jijhebt gegroet
hijheeft gegroet
wijhebben gegroet
julliehebben gegroet
zijhebben gegroet

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgroette
jijgroette
hijgroette
wijgroetten
julliegroetten
zijgroetten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegroet
jijhad gegroet
hijhad gegroet
wijhadden gegroet
julliehadden gegroet
zijhadden gegroet

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal groeten
jijzult groeten
hijzal groeten
wijzullen groeten
julliezullen groeten
zijzullen groeten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegroet hebben
jijzult gegroet hebben
hijzal gegroet hebben
wijzullen gegroet hebben
julliezullen gegroet hebben
zijzullen gegroet hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou groeten
jijzou groeten
hijzou groeten
wijzouden groeten
julliezouden groeten
zijzouden groeten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegroet hebben
jijzou gegroet hebben
hijzou gegroet hebben
wijzouden gegroet hebben
julliezouden gegroet hebben
zijzouden gegroet hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgroet

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch groeten, from Old Dutch *gruoten, from Proto-West Germanic *grōtijan, from Proto-Germanic *grōtijaną. See: Middle Dutch 'groeten', Proto-Germanic '*grōtijaną'.

Verbs referencing "groeten"

English greet, Afrikaans groet, German, old spelling grüßen, Luxembourgish gréissen, Alemannic German grüesse.

Additional Information