afbetalen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afbetalen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afbetalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afbetalend
Past participle - Verleden deelwoord: afbetaald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbetaal af
jijbetaalt af
hijbetaalt af
wijbetalen af
julliebetalen af
zijbetalen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afbetaald
jijhebt afbetaald
hijheeft afbetaald
wijhebben afbetaald
julliehebben afbetaald
zijhebben afbetaald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbetaalde af
jijbetaalde af
hijbetaalde af
wijbetaalden af
julliebetaalden af
zijbetaalden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afbetaald
jijhad afbetaald
hijhad afbetaald
wijhadden afbetaald
julliehadden afbetaald
zijhadden afbetaald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afbetalen
jijzult afbetalen
hijzal afbetalen
wijzullen afbetalen
julliezullen afbetalen
zijzullen afbetalen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afbetaald hebben
jijzult afbetaald hebben
hijzal afbetaald hebben
wijzullen afbetaald hebben
julliezullen afbetaald hebben
zijzullen afbetaald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afbetalen
jijzou afbetalen
hijzou afbetalen
wijzouden afbetalen
julliezouden afbetalen
zijzouden afbetalen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afbetaald hebben
jijzou afbetaald hebben
hijzou afbetaald hebben
wijzouden afbetaald hebben
julliezouden afbetaald hebben
zijzouden afbetaald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbetaal af

Translations

  • acquit, to discharge, release, or set free from a burden, duty, etc.
  • redeem, to convert into cash
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    delgen
    aflossen, amortiseren, vereffenen

    Sample Sentences

    Etymology

    Compound of af + betalen.

    Additional Information