afbellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afbellen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afbellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afbellend
Past participle - Verleden deelwoord: afbeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbel af
jijbelt af
hijbelt af
wijbellen af
julliebellen af
zijbellen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afbeld
jijhebt afbeld
hijheeft afbeld
wijhebben afbeld
julliehebben afbeld
zijhebben afbeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbelde af
jijbelde af
hijbelde af
wijbelden af
julliebelden af
zijbelden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afbeld
jijhad afbeld
hijhad afbeld
wijhadden afbeld
julliehadden afbeld
zijhadden afbeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afbellen
jijzult afbellen
hijzal afbellen
wijzullen afbellen
julliezullen afbellen
zijzullen afbellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afbeld hebben
jijzult afbeld hebben
hijzal afbeld hebben
wijzullen afbeld hebben
julliezullen afbeld hebben
zijzullen afbeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afbellen
jijzou afbellen
hijzou afbellen
wijzouden afbellen
julliezouden afbellen
zijzouden afbellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afbeld hebben
jijzou afbeld hebben
hijzou afbeld hebben
wijzouden afbeld hebben
julliezouden afbeld hebben
zijzouden afbeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbel af

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

afzeggen
afschrijven, bedanken, opzeggen

Sample Sentences

  • Ik heb alle leveranciers in de omgeving afgebeld, maar helaas. (I have called all the suppliers in the region, but no joy.)

Etymology

From af + bellen.

Additional Information