aanzouten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanzouten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanzouten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanzoutend
Past participle - Verleden deelwoord: aangezouten

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzout aan
jijzout aan
hijzout aan
wijzouten aan
julliezouten aan
zijzouten aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangezouten
jijhebt aangezouten
hijheeft aangezouten
wijhebben aangezouten
julliehebben aangezouten
zijhebben aangezouten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzoutte aan
jijzoutte aan
hijzoutte aan
wijzoutten aan
julliezoutten aan
zijzoutten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangezouten
jijhad aangezouten
hijhad aangezouten
wijhadden aangezouten
julliehadden aangezouten
zijhadden aangezouten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanzouten
jijzult aanzouten
hijzal aanzouten
wijzullen aanzouten
julliezullen aanzouten
zijzullen aanzouten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangezouten hebben
jijzult aangezouten hebben
hijzal aangezouten hebben
wijzullen aangezouten hebben
julliezullen aangezouten hebben
zijzullen aangezouten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanzouten
jijzou aanzouten
hijzou aanzouten
wijzouden aanzouten
julliezouden aanzouten
zijzouden aanzouten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangezouten hebben
jijzou aangezouten hebben
hijzou aangezouten hebben
wijzouden aangezouten hebben
julliezouden aangezouten hebben
zijzouden aangezouten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzout aan

Verbs conjugated like 'aanzouten'

aanzouten, barsten, zouten,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of aan + zouten.

Additional Information