aangooien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aangooien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aangooien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aangooiend
Past participle - Verleden deelwoord: aangegooid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgooi aan
jijgooit aan
hijgooit aan
wijgooien aan
julliegooien aan
zijgooien aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangegooid
jijhebt aangegooid
hijheeft aangegooid
wijhebben aangegooid
julliehebben aangegooid
zijhebben aangegooid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgooide aan
jijgooide aan
hijgooide aan
wijgooiden aan
julliegooiden aan
zijgooiden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangegooid
jijhad aangegooid
hijhad aangegooid
wijhadden aangegooid
julliehadden aangegooid
zijhadden aangegooid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aangooien
jijzult aangooien
hijzal aangooien
wijzullen aangooien
julliezullen aangooien
zijzullen aangooien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangegooid hebben
jijzult aangegooid hebben
hijzal aangegooid hebben
wijzullen aangegooid hebben
julliezullen aangegooid hebben
zijzullen aangegooid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aangooien
jijzou aangooien
hijzou aangooien
wijzouden aangooien
julliezouden aangooien
zijzouden aangooien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangegooid hebben
jijzou aangegooid hebben
hijzou aangegooid hebben
wijzouden aangegooid hebben
julliezouden aangegooid hebben
zijzouden aangegooid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgooi aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of aan + gooien.

Additional Information