aanpraten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanpraten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanpraten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanpratend
Past participle - Verleden deelwoord: aangepraat

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpraat aan
jijpraat aan
hijpraat aan
wijpraten aan
julliepraten aan
zijpraten aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangepraat
jijhebt aangepraat
hijheeft aangepraat
wijhebben aangepraat
julliehebben aangepraat
zijhebben aangepraat

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpraatte aan
jijpraatte aan
hijpraatte aan
wijpraatten aan
julliepraatten aan
zijpraatten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangepraat
jijhad aangepraat
hijhad aangepraat
wijhadden aangepraat
julliehadden aangepraat
zijhadden aangepraat

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanpraten
jijzult aanpraten
hijzal aanpraten
wijzullen aanpraten
julliezullen aanpraten
zijzullen aanpraten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangepraat hebben
jijzult aangepraat hebben
hijzal aangepraat hebben
wijzullen aangepraat hebben
julliezullen aangepraat hebben
zijzullen aangepraat hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanpraten
jijzou aanpraten
hijzou aanpraten
wijzouden aanpraten
julliezouden aanpraten
zijzouden aanpraten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangepraat hebben
jijzou aangepraat hebben
hijzou aangepraat hebben
wijzouden aangepraat hebben
julliezouden aangepraat hebben
zijzouden aangepraat hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpraat aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

opdringen
aansmeren, opleggen

Sample Sentences

  • Die verkoper heeft me deze stofzuiger aangepraat. (That salesman talked me into buying this vacuum cleaner.)
  • Toen ik ziek was, werd me van alles aangepraat. (When I was ill, I was told [to believe] all sorts of things.)

Etymology

From aan + praten.

Additional Information