aanbraden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanbraden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanbraden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanbradend
Past participle - Verleden deelwoord: aangebraden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbraad aan
jijbraadt aan
hijbraadt aan
wijbraden aan
julliebraden aan
zijbraden aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangebraden
jijhebt aangebraden
hijheeft aangebraden
wijhebben aangebraden
julliehebben aangebraden
zijhebben aangebraden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbraadde aan
jijbraadde aan
hijbraadde aan
wijbraadden aan
julliebraadden aan
zijbraadden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangebraden
jijhad aangebraden
hijhad aangebraden
wijhadden aangebraden
julliehadden aangebraden
zijhadden aangebraden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanbraden
jijzult aanbraden
hijzal aanbraden
wijzullen aanbraden
julliezullen aanbraden
zijzullen aanbraden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangebraden hebben
jijzult aangebraden hebben
hijzal aangebraden hebben
wijzullen aangebraden hebben
julliezullen aangebraden hebben
zijzullen aangebraden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanbraden
jijzou aanbraden
hijzou aanbraden
wijzouden aanbraden
julliezouden aanbraden
zijzouden aanbraden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangebraden hebben
jijzou aangebraden hebben
hijzou aangebraden hebben
wijzouden aangebraden hebben
julliezouden aangebraden hebben
zijzouden aangebraden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbraad aan

Translations

  • sear, To char, scorch, or burn the surface of something with a hot instrument
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From aan + braden.

    Additional Information