bepraten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bepraten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bepraten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bepratend
Past participle - Verleden deelwoord: bepraat

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbepraat
jijbepraat
hijbepraat
wijbepraten
julliebepraten
zijbepraten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bepraat
jijhebt bepraat
hijheeft bepraat
wijhebben bepraat
julliehebben bepraat
zijhebben bepraat

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbepraatte
jijbepraatte
hijbepraatte
wijbepraatten
julliebepraatten
zijbepraatten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bepraat
jijhad bepraat
hijhad bepraat
wijhadden bepraat
julliehadden bepraat
zijhadden bepraat

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bepraten
jijzult bepraten
hijzal bepraten
wijzullen bepraten
julliezullen bepraten
zijzullen bepraten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bepraat hebben
jijzult bepraat hebben
hijzal bepraat hebben
wijzullen bepraat hebben
julliezullen bepraat hebben
zijzullen bepraat hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bepraten
jijzou bepraten
hijzou bepraten
wijzouden bepraten
julliezouden bepraten
zijzouden bepraten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bepraat hebben
jijzou bepraat hebben
hijzou bepraat hebben
wijzouden bepraat hebben
julliezouden bepraat hebben
zijzouden bepraat hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbepraat

Verbs conjugated like 'bepraten'

aanpraten, baten, begroten, bepraten, haten, ompraten, praten, vergroten, zweten,

Translations

  • discuss, to converse or debate concerning a particular topic
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bespreken
    doorspreken, overleggen
    inpalmen
    lijmen, ompraten, overhalen

    Sample Sentences

    Etymology

    From be- + praten.

    Additional Information