stofferen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stofferen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stofferen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stofferend
Past participle - Verleden deelwoord: gestoffeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstoffeer
jijstoffeert
hijstoffeert
wijstofferen
julliestofferen
zijstofferen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestoffeerd
jijhebt gestoffeerd
hijheeft gestoffeerd
wijhebben gestoffeerd
julliehebben gestoffeerd
zijhebben gestoffeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstoffeerde
jijstoffeerde
hijstoffeerde
wijstoffeerden
julliestoffeerden
zijstoffeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestoffeerd
jijhad gestoffeerd
hijhad gestoffeerd
wijhadden gestoffeerd
julliehadden gestoffeerd
zijhadden gestoffeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stofferen
jijzult stofferen
hijzal stofferen
wijzullen stofferen
julliezullen stofferen
zijzullen stofferen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestoffeerd hebben
jijzult gestoffeerd hebben
hijzal gestoffeerd hebben
wijzullen gestoffeerd hebben
julliezullen gestoffeerd hebben
zijzullen gestoffeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stofferen
jijzou stofferen
hijzou stofferen
wijzouden stofferen
julliezouden stofferen
zijzouden stofferen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestoffeerd hebben
jijzou gestoffeerd hebben
hijzou gestoffeerd hebben
wijzouden gestoffeerd hebben
julliezouden gestoffeerd hebben
zijzouden gestoffeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstoffeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch stofferen, from Old French estoffer, from Old High German stoffōn, from Proto-West Germanic *stoppōn. Doublet of stoppen. See: Old French 'estoffer'.

Additional Information