voortbrengen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voortbrengen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voortbrengen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voortbrengend
Past participle - Verleden deelwoord: voortgebracht

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbreng voort
jijbrengt voort
hijbrengt voort
wijbrengen voort
julliebrengen voort
zijbrengen voort

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voortgebracht
jijhebt voortgebracht
hijheeft voortgebracht
wijhebben voortgebracht
julliehebben voortgebracht
zijhebben voortgebracht

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbracht voort
jijbracht voort
hijbracht voort
wijbrachten voort
julliebrachten voort
zijbrachten voort

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voortgebracht
jijhad voortgebracht
hijhad voortgebracht
wijhadden voortgebracht
julliehadden voortgebracht
zijhadden voortgebracht

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voortbrengen
jijzult voortbrengen
hijzal voortbrengen
wijzullen voortbrengen
julliezullen voortbrengen
zijzullen voortbrengen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voortgebracht hebben
jijzult voortgebracht hebben
hijzal voortgebracht hebben
wijzullen voortgebracht hebben
julliezullen voortgebracht hebben
zijzullen voortgebracht hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voortbrengen
jijzou voortbrengen
hijzou voortbrengen
wijzouden voortbrengen
julliezouden voortbrengen
zijzouden voortbrengen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voortgebracht hebben
jijzou voortgebracht hebben
hijzou voortgebracht hebben
wijzouden voortgebracht hebben
julliezouden voortgebracht hebben
zijzouden voortgebracht hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbreng voort

Translations

  • beget, procreate
  • procreate, procreate
  • engender, to bring into existence, cause
  • cause, to produce as a result
  • yield, to produce as a result
  • utter, put counterfeit money etc. into circulation
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    produceren
    scheppen, veroorzaken

    Sample Sentences

    • Ik mag letterlijk zeggen, dat ik thans voor mijn brood werkte. Het is zonderling en ik geloof dat er weinig menschen over nagedacht hebben, hoe veel kleine zaken er noodig zijn tot het voortbrengen van die eene enkele zaak, het brood. Ik, die in een blooten natuurstaat mij bevond, ondervond dit tot mijn dagelijksch verdriet, en gevoelde dit ieder uur, van het oogenblik af, dat ik zoo [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch vortbringen, from Old Dutch forthbringan, from Proto-West Germanic *forþbringan, equivalent to voort + brengen. Analogous to English forthbring and bring forth. See: English 'forthbring'.

    Verbs referencing "voortbrengen"

    English forthbring, Swedish frambringa.

    Additional Information