vomeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vomeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vomeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vomerend
Past participle - Verleden deelwoord: gevomeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvomeer
jijvomeert
hijvomeert
wijvomeren
jullievomeren
zijvomeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevomeerd
jijhebt gevomeerd
hijheeft gevomeerd
wijhebben gevomeerd
julliehebben gevomeerd
zijhebben gevomeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvomeerde
jijvomeerde
hijvomeerde
wijvomeerden
jullievomeerden
zijvomeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevomeerd
jijhad gevomeerd
hijhad gevomeerd
wijhadden gevomeerd
julliehadden gevomeerd
zijhadden gevomeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vomeren
jijzult vomeren
hijzal vomeren
wijzullen vomeren
julliezullen vomeren
zijzullen vomeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevomeerd hebben
jijzult gevomeerd hebben
hijzal gevomeerd hebben
wijzullen gevomeerd hebben
julliezullen gevomeerd hebben
zijzullen gevomeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vomeren
jijzou vomeren
hijzou vomeren
wijzouden vomeren
julliezouden vomeren
zijzouden vomeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevomeerd hebben
jijzou gevomeerd hebben
hijzou gevomeerd hebben
wijzouden gevomeerd hebben
julliezouden gevomeerd hebben
zijzouden gevomeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvomeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information