zomeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zomeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zomeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zomerend
Past participle - Verleden deelwoord: gezomerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzomer
jijzomert
hijzomert
wijzomeren
julliezomeren
zijzomeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezomerd
jijhebt gezomerd
hijheeft gezomerd
wijhebben gezomerd
julliehebben gezomerd
zijhebben gezomerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzomerde
jijzomerde
hijzomerde
wijzomerden
julliezomerden
zijzomerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezomerd
jijhad gezomerd
hijhad gezomerd
wijhadden gezomerd
julliehadden gezomerd
zijhadden gezomerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zomeren
jijzult zomeren
hijzal zomeren
wijzullen zomeren
julliezullen zomeren
zijzullen zomeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezomerd hebben
jijzult gezomerd hebben
hijzal gezomerd hebben
wijzullen gezomerd hebben
julliezullen gezomerd hebben
zijzullen gezomerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zomeren
jijzou zomeren
hijzou zomeren
wijzouden zomeren
julliezouden zomeren
zijzouden zomeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezomerd hebben
jijzou gezomerd hebben
hijzou gezomerd hebben
wijzouden gezomerd hebben
julliezouden gezomerd hebben
zijzouden gezomerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzomer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From zomer + -en.

Additional Information