volhouden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of volhouden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: volhouden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: volhoudend
Past participle - Verleden deelwoord: volhouden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvolhoud; volhou
jijvolhoudt
hijvolhoudt
wijvolhouden
jullievolhouden
zijvolhouden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb volhouden
jijhebt volhouden
hijheeft volhouden
wijhebben volhouden
julliehebben volhouden
zijhebben volhouden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvolhield
jijvolhield
hijvolhield
wijvolhielden
jullievolhielden
zijvolhielden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad volhouden
jijhad volhouden
hijhad volhouden
wijhadden volhouden
julliehadden volhouden
zijhadden volhouden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal volhouden
jijzult volhouden
hijzal volhouden
wijzullen volhouden
julliezullen volhouden
zijzullen volhouden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal volhouden hebben
jijzult volhouden hebben
hijzal volhouden hebben
wijzullen volhouden hebben
julliezullen volhouden hebben
zijzullen volhouden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou volhouden
jijzou volhouden
hijzou volhouden
wijzouden volhouden
julliezouden volhouden
zijzouden volhouden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou volhouden hebben
jijzou volhouden hebben
hijzou volhouden hebben
wijzouden volhouden hebben
julliezouden volhouden hebben
zijzouden volhouden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvolhoud; volhou

Translations

  • insist, to hold up a claim emphatically
  • last, to hold out
  • perseverate, behaviour of exclusive and lasting obsession to a detail others consider minor
  • stick, to persist
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanhouden
    volharden
    beweren
    stellen, suggereren, voorwenden, zeggen
    doorzetten
    doorbijten, doordouwen, doorgaan, volharden
    harden
    dulden, uithouden, verduren
    houden
    uithouden, verduren
    persevereren
    doorzetten, volharden
    persisteren
    handhaven, vasthouden, volharden
    uithouden
    doorstaan, harden, uitzingen, verduren

    Antonyms

    beweren
    ontkennen

    Sample Sentences

    Etymology

    From vol + houden.

    Additional Information