vloeken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vloeken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vloeken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vloekend
Past participle - Verleden deelwoord: gevloekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvloek
jijvloekt
hijvloekt
wijvloeken
jullievloeken
zijvloeken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevloekt
jijhebt gevloekt
hijheeft gevloekt
wijhebben gevloekt
julliehebben gevloekt
zijhebben gevloekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvloekte
jijvloekte
hijvloekte
wijvloekten
jullievloekten
zijvloekten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevloekt
jijhad gevloekt
hijhad gevloekt
wijhadden gevloekt
julliehadden gevloekt
zijhadden gevloekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vloeken
jijzult vloeken
hijzal vloeken
wijzullen vloeken
julliezullen vloeken
zijzullen vloeken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevloekt hebben
jijzult gevloekt hebben
hijzal gevloekt hebben
wijzullen gevloekt hebben
julliezullen gevloekt hebben
zijzullen gevloekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vloeken
jijzou vloeken
hijzou vloeken
wijzouden vloeken
julliezouden vloeken
zijzouden vloeken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevloekt hebben
jijzou gevloekt hebben
hijzou gevloekt hebben
wijzouden gevloekt hebben
julliezouden gevloekt hebben
zijzouden gevloekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvloek

Translations

  • curse, to utter a vulgar curse
  • swear, to curse, to use offensive language
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    foeteren
    knorren, mopperen, razen, uitvaren

    Sample Sentences

    • [...] ontving, enz., ik nimmer de woorden: " Gode zij dank, " in mijn hart of in mijn mond had; en bij mijne grootste tegenspoeden dacht ik zelfs niet aan het gebed, en gebruikte Gods naam alleen tot vloeken en lasteren. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch vloeken, from Old Dutch fluocon. Cognate with German fluchen. See: Old Dutch 'fluocon', German, old spelling 'fluchen'.

    Verbs referencing "vloeken"

    German, old spelling fluchen, Greek, Ancient πλήσσω, Latin plango.

    Additional Information