razen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of razen

The word "razen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: razen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: razend
Past participle - Verleden deelwoord: geraasd

Cognates

See the 6 cognates of razen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikraas
jijraast
hijraast
wijrazen
jullierazen
zijrazen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geraasd
jijhebt geraasd
hijheeft geraasd
wijhebben geraasd
julliehebben geraasd
zijhebben geraasd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikraasde
jijraasde
hijraasde
wijraasden
jullieraasden
zijraasden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geraasd
jijhad geraasd
hijhad geraasd
wijhadden geraasd
julliehadden geraasd
zijhadden geraasd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal razen
jijzult razen
hijzal razen
wijzullen razen
julliezullen razen
zijzullen razen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geraasd hebben
jijzult geraasd hebben
hijzal geraasd hebben
wijzullen geraasd hebben
julliezullen geraasd hebben
zijzullen geraasd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou razen
jijzou razen
hijzou razen
wijzouden razen
julliezouden razen
zijzouden razen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geraasd hebben
jijzou geraasd hebben
hijzou geraasd hebben
wijzouden geraasd hebben
julliezouden geraasd hebben
zijzouden geraasd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijraas

Verbs conjugated like 'razen'

blozen, grazen, liefkozen, verbazen, vrezen,

Verbs similar to 'razen'

Translations

  • race, to move or drive at high speed
  • rage, move with great violence
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch râsen, from Old Dutch *rāson, from Proto-West Germanic *rāsōn, from Proto-Germanic *rēsōną. See: Old Dutch '*rāson', Proto-Germanic '*rēsōną'.

    Verbs referencing "razen"

    English rase, Luxembourgish rosen, Old English ræsan.

    Additional Information