uitdelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitdelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitdelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitdelend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgedeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeel uit
jijdeelt uit
hijdeelt uit
wijdelen uit
julliedelen uit
zijdelen uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgedeeld
jijhebt uitgedeeld
hijheeft uitgedeeld
wijhebben uitgedeeld
julliehebben uitgedeeld
zijhebben uitgedeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeelde uit
jijdeelde uit
hijdeelde uit
wijdeelden uit
julliedeelden uit
zijdeelden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgedeeld
jijhad uitgedeeld
hijhad uitgedeeld
wijhadden uitgedeeld
julliehadden uitgedeeld
zijhadden uitgedeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitdelen
jijzult uitdelen
hijzal uitdelen
wijzullen uitdelen
julliezullen uitdelen
zijzullen uitdelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgedeeld hebben
jijzult uitgedeeld hebben
hijzal uitgedeeld hebben
wijzullen uitgedeeld hebben
julliezullen uitgedeeld hebben
zijzullen uitgedeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitdelen
jijzou uitdelen
hijzou uitdelen
wijzouden uitdelen
julliezouden uitdelen
zijzouden uitdelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgedeeld hebben
jijzou uitgedeeld hebben
hijzou uitgedeeld hebben
wijzouden uitgedeeld hebben
julliezouden uitgedeeld hebben
zijzouden uitgedeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeel uit

Translations

  • deal, to give out as one’s portion or share
  • dispense, to issue, distribute, or give out
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • De activist deelde flyers uit onder de voorbijgangers. (The activist distributed flyers among the passers-by.)

    Etymology

    From uit + delen.

    Additional Information