middelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of middelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: middelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: middelend
Past participle - Verleden deelwoord: gemiddeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmiddel
jijmiddelt
hijmiddelt
wijmiddelen
julliemiddelen
zijmiddelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemiddeld
jijhebt gemiddeld
hijheeft gemiddeld
wijhebben gemiddeld
julliehebben gemiddeld
zijhebben gemiddeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmiddelde
jijmiddelde
hijmiddelde
wijmiddelden
julliemiddelden
zijmiddelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemiddeld
jijhad gemiddeld
hijhad gemiddeld
wijhadden gemiddeld
julliehadden gemiddeld
zijhadden gemiddeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal middelen
jijzult middelen
hijzal middelen
wijzullen middelen
julliezullen middelen
zijzullen middelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemiddeld hebben
jijzult gemiddeld hebben
hijzal gemiddeld hebben
wijzullen gemiddeld hebben
julliezullen gemiddeld hebben
zijzullen gemiddeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou middelen
jijzou middelen
hijzou middelen
wijzouden middelen
julliezouden middelen
zijzouden middelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemiddeld hebben
jijzou gemiddeld hebben
hijzou gemiddeld hebben
wijzouden gemiddeld hebben
julliezouden gemiddeld hebben
zijzouden gemiddeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmiddel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch middelen. Equivalent to middel + -en.

Additional Information