trotseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trotseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trotseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trotserend
Past participle - Verleden deelwoord: getrotseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrotseer
jijtrotseert
hijtrotseert
wijtrotseren
jullietrotseren
zijtrotseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getrotseerd
jijhebt getrotseerd
hijheeft getrotseerd
wijhebben getrotseerd
julliehebben getrotseerd
zijhebben getrotseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrotseerde
jijtrotseerde
hijtrotseerde
wijtrotseerden
jullietrotseerden
zijtrotseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getrotseerd
jijhad getrotseerd
hijhad getrotseerd
wijhadden getrotseerd
julliehadden getrotseerd
zijhadden getrotseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trotseren
jijzult trotseren
hijzal trotseren
wijzullen trotseren
julliezullen trotseren
zijzullen trotseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getrotseerd hebben
jijzult getrotseerd hebben
hijzal getrotseerd hebben
wijzullen getrotseerd hebben
julliezullen getrotseerd hebben
zijzullen getrotseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trotseren
jijzou trotseren
hijzou trotseren
wijzouden trotseren
julliezouden trotseren
zijzouden trotseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getrotseerd hebben
jijzou getrotseerd hebben
hijzou getrotseerd hebben
wijzouden getrotseerd hebben
julliezouden getrotseerd hebben
zijzouden getrotseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrotseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

tarten
weerstaan, weerstreven
doorstaan
overleven

Sample Sentences

Etymology

From trotsen + -eren.

Additional Information