torpederen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of torpederen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: torpederen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: torpederend
Past participle - Verleden deelwoord: getorpedeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktorpedeer
jijtorpedeert
hijtorpedeert
wijtorpederen
jullietorpederen
zijtorpederen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getorpedeerd
jijhebt getorpedeerd
hijheeft getorpedeerd
wijhebben getorpedeerd
julliehebben getorpedeerd
zijhebben getorpedeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktorpedeerde
jijtorpedeerde
hijtorpedeerde
wijtorpedeerden
jullietorpedeerden
zijtorpedeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getorpedeerd
jijhad getorpedeerd
hijhad getorpedeerd
wijhadden getorpedeerd
julliehadden getorpedeerd
zijhadden getorpedeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal torpederen
jijzult torpederen
hijzal torpederen
wijzullen torpederen
julliezullen torpederen
zijzullen torpederen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getorpedeerd hebben
jijzult getorpedeerd hebben
hijzal getorpedeerd hebben
wijzullen getorpedeerd hebben
julliezullen getorpedeerd hebben
zijzullen getorpedeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou torpederen
jijzou torpederen
hijzou torpederen
wijzouden torpederen
julliezouden torpederen
zijzouden torpederen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getorpedeerd hebben
jijzou getorpedeerd hebben
hijzou getorpedeerd hebben
wijzouden getorpedeerd hebben
julliezouden getorpedeerd hebben
zijzouden getorpedeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtorpedeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information