obsederen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of obsederen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: obsederen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: obsederend
Past participle - Verleden deelwoord: geobsedeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikobsedeer
jijobsedeert
hijobsedeert
wijobsederen
jullieobsederen
zijobsederen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geobsedeerd
jijhebt geobsedeerd
hijheeft geobsedeerd
wijhebben geobsedeerd
julliehebben geobsedeerd
zijhebben geobsedeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikobsedeerde
jijobsedeerde
hijobsedeerde
wijobsedeerden
jullieobsedeerden
zijobsedeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geobsedeerd
jijhad geobsedeerd
hijhad geobsedeerd
wijhadden geobsedeerd
julliehadden geobsedeerd
zijhadden geobsedeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal obsederen
jijzult obsederen
hijzal obsederen
wijzullen obsederen
julliezullen obsederen
zijzullen obsederen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geobsedeerd hebben
jijzult geobsedeerd hebben
hijzal geobsedeerd hebben
wijzullen geobsedeerd hebben
julliezullen geobsedeerd hebben
zijzullen geobsedeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou obsederen
jijzou obsederen
hijzou obsederen
wijzouden obsederen
julliezouden obsederen
zijzouden obsederen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geobsedeerd hebben
jijzou geobsedeerd hebben
hijzou geobsedeerd hebben
wijzouden geobsedeerd hebben
julliezouden geobsedeerd hebben
zijzouden geobsedeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijobsedeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French obséder + -eren, from Latin obsideo. See: Latin 'obsideo'.

Additional Information