moederen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of moederen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: moederen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: moederend
Past participle - Verleden deelwoord: gemoederd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmoeder
jijmoedert
hijmoedert
wijmoederen
julliemoederen
zijmoederen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemoederd
jijhebt gemoederd
hijheeft gemoederd
wijhebben gemoederd
julliehebben gemoederd
zijhebben gemoederd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmoederde
jijmoederde
hijmoederde
wijmoederden
julliemoederden
zijmoederden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemoederd
jijhad gemoederd
hijhad gemoederd
wijhadden gemoederd
julliehadden gemoederd
zijhadden gemoederd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal moederen
jijzult moederen
hijzal moederen
wijzullen moederen
julliezullen moederen
zijzullen moederen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemoederd hebben
jijzult gemoederd hebben
hijzal gemoederd hebben
wijzullen gemoederd hebben
julliezullen gemoederd hebben
zijzullen gemoederd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou moederen
jijzou moederen
hijzou moederen
wijzouden moederen
julliezouden moederen
zijzouden moederen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemoederd hebben
jijzou gemoederd hebben
hijzou gemoederd hebben
wijzouden gemoederd hebben
julliezouden gemoederd hebben
zijzouden gemoederd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmoeder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information