tasten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tasten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tasten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tastend
Past participle - Verleden deelwoord: getast

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktast
jijtast
hijtast
wijtasten
jullietasten
zijtasten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getast
jijhebt getast
hijheeft getast
wijhebben getast
julliehebben getast
zijhebben getast

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktastte
jijtastte
hijtastte
wijtastten
jullietastten
zijtastten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getast
jijhad getast
hijhad getast
wijhadden getast
julliehadden getast
zijhadden getast

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tasten
jijzult tasten
hijzal tasten
wijzullen tasten
julliezullen tasten
zijzullen tasten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getast hebben
jijzult getast hebben
hijzal getast hebben
wijzullen getast hebben
julliezullen getast hebben
zijzullen getast hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tasten
jijzou tasten
hijzou tasten
wijzouden tasten
julliezouden tasten
zijzouden tasten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getast hebben
jijzou getast hebben
hijzou getast hebben
wijzouden getast hebben
julliezouden getast hebben
zijzouden getast hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtast

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

grijpen
reiken

Sample Sentences

  • [...] wetende, dat als zij zich onderwierpen, de galg hun lot zou zijn, zoodra zij in Engeland of een der Engelsche koloniën kwamen, en dat het derhalve ongeraden zou zijn hen met ons klein getal aan te tasten. (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch tasten, from Old French taster, from Vulgar Latin taxitō. See: Old French 'taster'.

Verbs referencing "tasten"

German, old spelling tasten.

Additional Information