vasten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vasten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vasten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vastend
Past participle - Verleden deelwoord: gevast

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvast
jijvast
hijvast
wijvasten
jullievasten
zijvasten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevast
jijhebt gevast
hijheeft gevast
wijhebben gevast
julliehebben gevast
zijhebben gevast

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvastte
jijvastte
hijvastte
wijvastten
jullievastten
zijvastten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevast
jijhad gevast
hijhad gevast
wijhadden gevast
julliehadden gevast
zijhadden gevast

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vasten
jijzult vasten
hijzal vasten
wijzullen vasten
julliezullen vasten
zijzullen vasten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevast hebben
jijzult gevast hebben
hijzal gevast hebben
wijzullen gevast hebben
julliezullen gevast hebben
zijzullen gevast hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vasten
jijzou vasten
hijzou vasten
wijzouden vasten
julliezouden vasten
zijzouden vasten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevast hebben
jijzou gevast hebben
hijzou gevast hebben
wijzouden gevast hebben
julliezouden gevast hebben
zijzouden gevast hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvast

Translations

  • fast, to abstain from food
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch vasten, from Old Dutch *faston, from Proto-West Germanic *fastēn, from Proto-Germanic *fastāną. See: Old Dutch '*faston', Proto-Germanic '*fastāną'.

    Additional Information