starten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of starten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: starten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: startend
Past participle - Verleden deelwoord: gestart

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstart
jijstart
hijstart
wijstarten
julliestarten
zijstarten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestart
jijhebt gestart
hijheeft gestart
wijhebben gestart
julliehebben gestart
zijhebben gestart

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstartte
jijstartte
hijstartte
wijstartten
julliestartten
zijstartten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestart
jijhad gestart
hijhad gestart
wijhadden gestart
julliehadden gestart
zijhadden gestart

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal starten
jijzult starten
hijzal starten
wijzullen starten
julliezullen starten
zijzullen starten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestart hebben
jijzult gestart hebben
hijzal gestart hebben
wijzullen gestart hebben
julliezullen gestart hebben
zijzullen gestart hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou starten
jijzou starten
hijzou starten
wijzouden starten
julliezouden starten
zijzouden starten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestart hebben
jijzou gestart hebben
hijzou gestart hebben
wijzouden gestart hebben
julliezouden gestart hebben
zijzouden gestart hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstart

Translations

  • begin, to begin
  • date, to begin
  • embark, to start
  • get, to begin
  • hit, to begin
  • initiate, to begin; to start
  • start, to begin
  • start, to set in motion
  • start, to initiate operation of a vehicle or machine
  • start, of an activity, to begin
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    beginnen
    eindigen, ophouden, uitscheiden
    aanzetten
    afzetten, stilzetten, uitschakelen, uitzetten

    Sample Sentences

    • Ik ben gestart met roken, toen ik vijftien jaar oud was. (I started smoking when I was fifteen years old.)

    Etymology

    From start + -en (modeled on the English verb start); compare with German starten. See: German, old spelling 'starten'.

    Verbs referencing "starten"

    German, old spelling starten.

    Additional Information