Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: staren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: starend
Past participle - Verleden deelwoord: gestaard
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | staar |
| jij | staart |
| hij | staart |
| wij | staren |
| jullie | staren |
| zij | staren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gestaard |
| jij | hebt gestaard |
| hij | heeft gestaard |
| wij | hebben gestaard |
| jullie | hebben gestaard |
| zij | hebben gestaard |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | staarde |
| jij | staarde |
| hij | staarde |
| wij | staarden |
| jullie | staarden |
| zij | staarden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gestaard |
| jij | had gestaard |
| hij | had gestaard |
| wij | hadden gestaard |
| jullie | hadden gestaard |
| zij | hadden gestaard |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal staren |
| jij | zult staren |
| hij | zal staren |
| wij | zullen staren |
| jullie | zullen staren |
| zij | zullen staren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gestaard hebben |
| jij | zult gestaard hebben |
| hij | zal gestaard hebben |
| wij | zullen gestaard hebben |
| jullie | zullen gestaard hebben |
| zij | zullen gestaard hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou staren |
| jij | zou staren |
| hij | zou staren |
| wij | zouden staren |
| jullie | zouden staren |
| zij | zouden staren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gestaard hebben |
| jij | zou gestaard hebben |
| hij | zou gestaard hebben |
| wij | zouden gestaard hebben |
| jullie | zouden gestaard hebben |
| zij | zouden gestaard hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'staren'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'staren'
sparen,
staken,
starten,
staven,
storen,
sturen,
scharen,
sieren,
slagen,
slapen,
Translations
stare, to look fixedly
gaze, to stare intently or earnestly
Sample Sentences
-
Na op deze wijze mij eenigzins in mijn toestand getroost te hebben, staarde ik niet meer zoo onophoudelijk zeewaarts, of ik een schip kon zien; maar begon mij het leven zoo aangenaam als mogelijk te maken. Reeds heb ik mijne woning beschreven, die eene tent was, tegen eene [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] kon ik toch niet nalaten een heuvel te beklimmen en in zee te zien, op hoop van een schip te bespeuren, totdat mijne verhitte verbeelding mij een zeil deed zien, dat, nadat mijne oogen schier blind gestaard waren, weder verdween, waarna ik ging zitten weenen als een kind, en op deze wijze door mijne dwaasheid mijn ongeluk vermeerderde.
(Robinson Crusoe)
-
[...] bewaarde die. Toen ik langs het strand terugkeerde, zag ik verscheidene zeevogels, die ik niet kende, maar ik was verrast en bijkans verschrikt door het zien van twee robben, die, terwijl ik er op staarde, en alvorens ik zag wat dit waren, in zee doken en mij voor dat oogenblik ontsnapten.
(Robinson Crusoe)
-
[...] ik door den Oceaan voor altijd in eene onbewoonde wildernis was geketend. Dan barstte ik soms in tranen uit als een kind, en wrong mij de handen. Somtijds te midden van mijn werk ging ik zitten, en staarde zuchtend een paar uren op den grond. Dit was het ergste, want als ik mijne borst in tranen en jammerklagten kon lucht geven, verminderde mijne neêrslagtigheid van lieverlede.
(Robinson Crusoe)
-
Dit herinnerde mij hoe ik voor de eerste maal aan land kwam en in het rond zag; hoe ik mij verloren achtte, hoe ik verwilderd in het rond staarde, welken schrikkelijken angst ik uitstond, en hoe ik, uit vrees voor wilde dieren, den geheelen nacht op een boom doorbragt. Even als ik dien nacht niets wist van den onderstand, dien ik ontvangen [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch stāren, from Old Dutch *staron, from Proto-West Germanic *starēn. See: Old Dutch '*staron'.
Verbs referencing "staren"
English
stare.
Additional Information