turen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of turen

The word "turen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: turen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: turend
Past participle - Verleden deelwoord: getuurd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktuur
jijtuurt
hijtuurt
wijturen
jullieturen
zijturen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getuurd
jijhebt getuurd
hijheeft getuurd
wijhebben getuurd
julliehebben getuurd
zijhebben getuurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktuurde
jijtuurde
hijtuurde
wijtuurden
jullietuurden
zijtuurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getuurd
jijhad getuurd
hijhad getuurd
wijhadden getuurd
julliehadden getuurd
zijhadden getuurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal turen
jijzult turen
hijzal turen
wijzullen turen
julliezullen turen
zijzullen turen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getuurd hebben
jijzult getuurd hebben
hijzal getuurd hebben
wijzullen getuurd hebben
julliezullen getuurd hebben
zijzullen getuurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou turen
jijzou turen
hijzou turen
wijzouden turen
julliezouden turen
zijzouden turen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getuurd hebben
jijzou getuurd hebben
hijzou getuurd hebben
wijzouden getuurd hebben
julliezouden getuurd hebben
zijzouden getuurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtuur

Verbs similar to 'turen'

Translations

  • gaze, to stare intently or earnestly
  • peer, to look with difficulty or as if searching
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Ik zou uren naar je kunnen turen, schat. (I could stare at you for hours, honey.)

    Etymology

    Uncertain.

    Additional Information