speculeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of speculeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: speculeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: speculerend
Past participle - Verleden deelwoord: gespeculeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspeculeer
jijspeculeert
hijspeculeert
wijspeculeren
julliespeculeren
zijspeculeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespeculeerd
jijhebt gespeculeerd
hijheeft gespeculeerd
wijhebben gespeculeerd
julliehebben gespeculeerd
zijhebben gespeculeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspeculeerde
jijspeculeerde
hijspeculeerde
wijspeculeerden
julliespeculeerden
zijspeculeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespeculeerd
jijhad gespeculeerd
hijhad gespeculeerd
wijhadden gespeculeerd
julliehadden gespeculeerd
zijhadden gespeculeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal speculeren
jijzult speculeren
hijzal speculeren
wijzullen speculeren
julliezullen speculeren
zijzullen speculeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespeculeerd hebben
jijzult gespeculeerd hebben
hijzal gespeculeerd hebben
wijzullen gespeculeerd hebben
julliezullen gespeculeerd hebben
zijzullen gespeculeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou speculeren
jijzou speculeren
hijzou speculeren
wijzouden speculeren
julliezouden speculeren
zijzouden speculeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespeculeerd hebben
jijzou gespeculeerd hebben
hijzou gespeculeerd hebben
wijzouden gespeculeerd hebben
julliezouden gespeculeerd hebben
zijzouden gespeculeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspeculeer

Translations

  • imagine, (intransitive) to guess
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch speculeren, from Old French speculer, from Latin speculārī.

    Additional Information