oculeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of oculeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: oculeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: oculerend
Past participle - Verleden deelwoord: geoculeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikoculeer
jijoculeert
hijoculeert
wijoculeren
jullieoculeren
zijoculeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geoculeerd
jijhebt geoculeerd
hijheeft geoculeerd
wijhebben geoculeerd
julliehebben geoculeerd
zijhebben geoculeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikoculeerde
jijoculeerde
hijoculeerde
wijoculeerden
jullieoculeerden
zijoculeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geoculeerd
jijhad geoculeerd
hijhad geoculeerd
wijhadden geoculeerd
julliehadden geoculeerd
zijhadden geoculeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal oculeren
jijzult oculeren
hijzal oculeren
wijzullen oculeren
julliezullen oculeren
zijzullen oculeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geoculeerd hebben
jijzult geoculeerd hebben
hijzal geoculeerd hebben
wijzullen geoculeerd hebben
julliezullen geoculeerd hebben
zijzullen geoculeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou oculeren
jijzou oculeren
hijzou oculeren
wijzouden oculeren
julliezouden oculeren
zijzouden oculeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geoculeerd hebben
jijzou geoculeerd hebben
hijzou geoculeerd hebben
wijzouden geoculeerd hebben
julliezouden geoculeerd hebben
zijzouden geoculeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijoculeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information