snikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of snikken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: snikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: snikkend
Past participle - Verleden deelwoord: gesnikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksnik
jijsnikt
hijsnikt
wijsnikken
julliesnikken
zijsnikken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesnikt
jijhebt gesnikt
hijheeft gesnikt
wijhebben gesnikt
julliehebben gesnikt
zijhebben gesnikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksnikte
jijsnikte
hijsnikte
wijsnikten
julliesnikten
zijsnikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesnikt
jijhad gesnikt
hijhad gesnikt
wijhadden gesnikt
julliehadden gesnikt
zijhadden gesnikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal snikken
jijzult snikken
hijzal snikken
wijzullen snikken
julliezullen snikken
zijzullen snikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesnikt hebben
jijzult gesnikt hebben
hijzal gesnikt hebben
wijzullen gesnikt hebben
julliezullen gesnikt hebben
zijzullen gesnikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou snikken
jijzou snikken
hijzou snikken
wijzouden snikken
julliezouden snikken
zijzouden snikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesnikt hebben
jijzou gesnikt hebben
hijzou gesnikt hebben
wijzouden gesnikt hebben
julliezouden gesnikt hebben
zijzouden gesnikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsnik

Translations

  • sob, say (something) while sobbing
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    hikken
    huilen, schreien

    Sample Sentences

    Etymology

    1. From Middle Dutch snicken (“to sob; gasp for breath”). Probably related to snuiven (“to sniff”) under the influence of snakken (“to open the mouth”) and hik (“hiccup”).
    2. Compare Middle Low German snucken, West Frisian snokke (“to sob”), Norwegian dialectal snukka (“to sniff”), German dialectal schnuckeln, schnauken, schnäuken (“to sniff”), English dialectal snock (“to sniff; sob forcefully”).

    Additional Information