knokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of knokken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: knokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: knokkend
Past participle - Verleden deelwoord: geknokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikknok
jijknokt
hijknokt
wijknokken
jullieknokken
zijknokken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geknokt
jijhebt geknokt
hijheeft geknokt
wijhebben geknokt
julliehebben geknokt
zijhebben geknokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikknokte
jijknokte
hijknokte
wijknokten
jullieknokten
zijknokten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geknokt
jijhad geknokt
hijhad geknokt
wijhadden geknokt
julliehadden geknokt
zijhadden geknokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal knokken
jijzult knokken
hijzal knokken
wijzullen knokken
julliezullen knokken
zijzullen knokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geknokt hebben
jijzult geknokt hebben
hijzal geknokt hebben
wijzullen geknokt hebben
julliezullen geknokt hebben
zijzullen geknokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou knokken
jijzou knokken
hijzou knokken
wijzouden knokken
julliezouden knokken
zijzouden knokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geknokt hebben
jijzou geknokt hebben
hijzou geknokt hebben
wijzouden geknokt hebben
julliezouden geknokt hebben
zijzouden geknokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijknok

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

vechten
opboksen, strijden

Sample Sentences

Etymology

First attested in the early 18th century. Probably borrowed from English knock. The simplification of /kn/ to /n/ was already widespread around 1700, but not at all general. (In fact, some northern English dialects retained /kn/ until the recent past.) Moreover, the word may have been borrowed into Dutch some time before its first appearance in writing. Accordingly there is no phonetic objection to English origin. Alternatively, however, it might have been derived from Dutch knok, a variant of knook (“knuckle, bone”). See: English 'knock'.

Additional Information