kikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kikken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kikkend
Past participle - Verleden deelwoord: gekikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkik
jijkikt
hijkikt
wijkikken
julliekikken
zijkikken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekikt
jijhebt gekikt
hijheeft gekikt
wijhebben gekikt
julliehebben gekikt
zijhebben gekikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkikte
jijkikte
hijkikte
wijkikten
julliekikten
zijkikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekikt
jijhad gekikt
hijhad gekikt
wijhadden gekikt
julliehadden gekikt
zijhadden gekikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kikken
jijzult kikken
hijzal kikken
wijzullen kikken
julliezullen kikken
zijzullen kikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekikt hebben
jijzult gekikt hebben
hijzal gekikt hebben
wijzullen gekikt hebben
julliezullen gekikt hebben
zijzullen gekikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kikken
jijzou kikken
hijzou kikken
wijzouden kikken
julliezouden kikken
zijzouden kikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekikt hebben
jijzou gekikt hebben
hijzou gekikt hebben
wijzouden gekikt hebben
julliezouden gekikt hebben
zijzouden gekikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkik

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch kicken (“to make a soft sound, squeak”), of onomatopoeic origin. Cognate with West Frisian kikke (“to utter a sound, speak, say”), German Low German kicken (“to make a noise, squeak”), dialectal English kick (“to stammer, stutter”). Compare also Saterland Frisian kwíekje (“to whimper, creak”), Middle Low German quīken, quēken ("to squeal"; > German Low German quieken), German quieken (“to squeal, squeak”). See: English 'kick', Frisian, Saterlandic 'kwíekje', German, old spelling 'quieken'.

Additional Information