situeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of situeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: situeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: situerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesitueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksitueer
jijsitueert
hijsitueert
wijsitueren
julliesitueren
zijsitueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesitueerd
jijhebt gesitueerd
hijheeft gesitueerd
wijhebben gesitueerd
julliehebben gesitueerd
zijhebben gesitueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksitueerde
jijsitueerde
hijsitueerde
wijsitueerden
julliesitueerden
zijsitueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesitueerd
jijhad gesitueerd
hijhad gesitueerd
wijhadden gesitueerd
julliehadden gesitueerd
zijhadden gesitueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal situeren
jijzult situeren
hijzal situeren
wijzullen situeren
julliezullen situeren
zijzullen situeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesitueerd hebben
jijzult gesitueerd hebben
hijzal gesitueerd hebben
wijzullen gesitueerd hebben
julliezullen gesitueerd hebben
zijzullen gesitueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou situeren
jijzou situeren
hijzou situeren
wijzouden situeren
julliezouden situeren
zijzouden situeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesitueerd hebben
jijzou gesitueerd hebben
hijzou gesitueerd hebben
wijzouden gesitueerd hebben
julliezouden gesitueerd hebben
zijzouden gesitueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsitueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

plaatsen
zetten

Sample Sentences

Etymology

Additional Information