salueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of salueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: salueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: saluerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesalueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksalueer
jijsalueert
hijsalueert
wijsalueren
julliesalueren
zijsalueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesalueerd
jijhebt gesalueerd
hijheeft gesalueerd
wijhebben gesalueerd
julliehebben gesalueerd
zijhebben gesalueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksalueerde
jijsalueerde
hijsalueerde
wijsalueerden
julliesalueerden
zijsalueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesalueerd
jijhad gesalueerd
hijhad gesalueerd
wijhadden gesalueerd
julliehadden gesalueerd
zijhadden gesalueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal salueren
jijzult salueren
hijzal salueren
wijzullen salueren
julliezullen salueren
zijzullen salueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesalueerd hebben
jijzult gesalueerd hebben
hijzal gesalueerd hebben
wijzullen gesalueerd hebben
julliezullen gesalueerd hebben
zijzullen gesalueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou salueren
jijzou salueren
hijzou salueren
wijzouden salueren
julliezouden salueren
zijzouden salueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesalueerd hebben
jijzou gesalueerd hebben
hijzou gesalueerd hebben
wijzouden gesalueerd hebben
julliezouden gesalueerd hebben
zijzouden gesalueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsalueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information