schavelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schavelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schavelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schavelend
Past participle - Verleden deelwoord: geschaveeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschaveel
jijschaveelt
hijschaveelt
wijschavelen
jullieschavelen
zijschavelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschaveeld
jijhebt geschaveeld
hijheeft geschaveeld
wijhebben geschaveeld
julliehebben geschaveeld
zijhebben geschaveeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschaveelde
jijschaveelde
hijschaveelde
wijschaveelden
jullieschaveelden
zijschaveelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschaveeld
jijhad geschaveeld
hijhad geschaveeld
wijhadden geschaveeld
julliehadden geschaveeld
zijhadden geschaveeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schavelen
jijzult schavelen
hijzal schavelen
wijzullen schavelen
julliezullen schavelen
zijzullen schavelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschaveeld hebben
jijzult geschaveeld hebben
hijzal geschaveeld hebben
wijzullen geschaveeld hebben
julliezullen geschaveeld hebben
zijzullen geschaveeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schavelen
jijzou schavelen
hijzou schavelen
wijzouden schavelen
julliezouden schavelen
zijzouden schavelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschaveeld hebben
jijzou geschaveeld hebben
hijzou geschaveeld hebben
wijzouden geschaveeld hebben
julliezouden geschaveeld hebben
zijzouden geschaveeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschaveel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information