schakelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schakelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schakelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schakelend
Past participle - Verleden deelwoord: geschakeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschakel
jijschakelt
hijschakelt
wijschakelen
jullieschakelen
zijschakelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschakeld
jijhebt geschakeld
hijheeft geschakeld
wijhebben geschakeld
julliehebben geschakeld
zijhebben geschakeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschakelde
jijschakelde
hijschakelde
wijschakelden
jullieschakelden
zijschakelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschakeld
jijhad geschakeld
hijhad geschakeld
wijhadden geschakeld
julliehadden geschakeld
zijhadden geschakeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schakelen
jijzult schakelen
hijzal schakelen
wijzullen schakelen
julliezullen schakelen
zijzullen schakelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschakeld hebben
jijzult geschakeld hebben
hijzal geschakeld hebben
wijzullen geschakeld hebben
julliezullen geschakeld hebben
zijzullen geschakeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schakelen
jijzou schakelen
hijzou schakelen
wijzouden schakelen
julliezouden schakelen
zijzouden schakelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschakeld hebben
jijzou geschakeld hebben
hijzou geschakeld hebben
wijzouden geschakeld hebben
julliezouden geschakeld hebben
zijzouden geschakeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschakel

Translations

  • gear, to fit with gears in order to achieve a desired gear ratio
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From schakel + -en.

    Additional Information