schotelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schotelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schotelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schotelend
Past participle - Verleden deelwoord: geschoteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschotel
jijschotelt
hijschotelt
wijschotelen
jullieschotelen
zijschotelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschoteld
jijhebt geschoteld
hijheeft geschoteld
wijhebben geschoteld
julliehebben geschoteld
zijhebben geschoteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschotelde
jijschotelde
hijschotelde
wijschotelden
jullieschotelden
zijschotelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschoteld
jijhad geschoteld
hijhad geschoteld
wijhadden geschoteld
julliehadden geschoteld
zijhadden geschoteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schotelen
jijzult schotelen
hijzal schotelen
wijzullen schotelen
julliezullen schotelen
zijzullen schotelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschoteld hebben
jijzult geschoteld hebben
hijzal geschoteld hebben
wijzullen geschoteld hebben
julliezullen geschoteld hebben
zijzullen geschoteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schotelen
jijzou schotelen
hijzou schotelen
wijzouden schotelen
julliezouden schotelen
zijzouden schotelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschoteld hebben
jijzou geschoteld hebben
hijzou geschoteld hebben
wijzouden geschoteld hebben
julliezouden geschoteld hebben
zijzouden geschoteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschotel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information