saboteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of saboteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: saboteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: saboterend
Past participle - Verleden deelwoord: gesaboteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksaboteer
jijsaboteert
hijsaboteert
wijsaboteren
julliesaboteren
zijsaboteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesaboteerd
jijhebt gesaboteerd
hijheeft gesaboteerd
wijhebben gesaboteerd
julliehebben gesaboteerd
zijhebben gesaboteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksaboteerde
jijsaboteerde
hijsaboteerde
wijsaboteerden
julliesaboteerden
zijsaboteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesaboteerd
jijhad gesaboteerd
hijhad gesaboteerd
wijhadden gesaboteerd
julliehadden gesaboteerd
zijhadden gesaboteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal saboteren
jijzult saboteren
hijzal saboteren
wijzullen saboteren
julliezullen saboteren
zijzullen saboteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesaboteerd hebben
jijzult gesaboteerd hebben
hijzal gesaboteerd hebben
wijzullen gesaboteerd hebben
julliezullen gesaboteerd hebben
zijzullen gesaboteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou saboteren
jijzou saboteren
hijzou saboteren
wijzouden saboteren
julliezouden saboteren
zijzouden saboteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesaboteerd hebben
jijzou gesaboteerd hebben
hijzou gesaboteerd hebben
wijzouden gesaboteerd hebben
julliezouden gesaboteerd hebben
zijzouden gesaboteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsaboteer

Translations

  • sabotage, deliberate destruction to prevent success
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French saboter. See: French 'saboter'.

    Additional Information