ophalen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ophalen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ophalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ophalend
Past participle - Verleden deelwoord: opgehaald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhaal op
jijhaalt op
hijhaalt op
wijhalen op
julliehalen op
zijhalen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgehaald
jijhebt opgehaald
hijheeft opgehaald
wijhebben opgehaald
julliehebben opgehaald
zijhebben opgehaald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhaalde op
jijhaalde op
hijhaalde op
wijhaalden op
julliehaalden op
zijhaalden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgehaald
jijhad opgehaald
hijhad opgehaald
wijhadden opgehaald
julliehadden opgehaald
zijhadden opgehaald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ophalen
jijzult ophalen
hijzal ophalen
wijzullen ophalen
julliezullen ophalen
zijzullen ophalen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgehaald hebben
jijzult opgehaald hebben
hijzal opgehaald hebben
wijzullen opgehaald hebben
julliezullen opgehaald hebben
zijzullen opgehaald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ophalen
jijzou ophalen
hijzou ophalen
wijzouden ophalen
julliezouden ophalen
zijzouden ophalen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgehaald hebben
jijzou opgehaald hebben
hijzou opgehaald hebben
wijzouden opgehaald hebben
julliezouden opgehaald hebben
zijzouden opgehaald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhaal op

Translations

  • sneer, raise a corner of the upper lip slightly in scorn
  • trice, to haul or hoist and tie up
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    omhooghalen
    optrekken
    collecteren
    inzamelen
    opfrissen
    verbeteren

    Sample Sentences

    Etymology

    From op + halen.

    Additional Information