mismaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of mismaken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: mismaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: mismakend
Past participle - Verleden deelwoord: mismaakt

Cognates

See the 2 cognates of mismaken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmismaak
jijmismaakt
hijmismaakt
wijmismaken
julliemismaken
zijmismaken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb mismaakt
jijhebt mismaakt
hijheeft mismaakt
wijhebben mismaakt
julliehebben mismaakt
zijhebben mismaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmismaakte
jijmismaakte
hijmismaakte
wijmismaakten
julliemismaakten
zijmismaakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad mismaakt
jijhad mismaakt
hijhad mismaakt
wijhadden mismaakt
julliehadden mismaakt
zijhadden mismaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal mismaken
jijzult mismaken
hijzal mismaken
wijzullen mismaken
julliezullen mismaken
zijzullen mismaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal mismaakt hebben
jijzult mismaakt hebben
hijzal mismaakt hebben
wijzullen mismaakt hebben
julliezullen mismaakt hebben
zijzullen mismaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou mismaken
jijzou mismaken
hijzou mismaken
wijzouden mismaken
julliezouden mismaken
zijzouden mismaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou mismaakt hebben
jijzou mismaakt hebben
hijzou mismaakt hebben
wijzouden mismaakt hebben
julliezouden mismaakt hebben
zijzouden mismaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmismaak

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

bederven
ontsieren, verpesten, vervormen

Sample Sentences

Etymology

From mis- (“mis-”) + maken (“to make”).

Verbs referencing "mismaken"

English mismake.

Additional Information