ontsieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ontsieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ontsieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontsierend
Past participle - Verleden deelwoord: ontsierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikontsier
jijontsiert
hijontsiert
wijontsieren
jullieontsieren
zijontsieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ontsierd
jijhebt ontsierd
hijheeft ontsierd
wijhebben ontsierd
julliehebben ontsierd
zijhebben ontsierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikontsierde
jijontsierde
hijontsierde
wijontsierden
jullieontsierden
zijontsierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ontsierd
jijhad ontsierd
hijhad ontsierd
wijhadden ontsierd
julliehadden ontsierd
zijhadden ontsierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ontsieren
jijzult ontsieren
hijzal ontsieren
wijzullen ontsieren
julliezullen ontsieren
zijzullen ontsieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ontsierd hebben
jijzult ontsierd hebben
hijzal ontsierd hebben
wijzullen ontsierd hebben
julliezullen ontsierd hebben
zijzullen ontsierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ontsieren
jijzou ontsieren
hijzou ontsieren
wijzouden ontsieren
julliezouden ontsieren
zijzouden ontsieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ontsierd hebben
jijzou ontsierd hebben
hijzou ontsierd hebben
wijzouden ontsierd hebben
julliezouden ontsierd hebben
zijzouden ontsierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijontsier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Een groot advertentiescherm ontsierde het straatbeeld. (A large advertising screen marred the streetscape.)

Etymology

From ont- + sieren.

Additional Information