misdelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of misdelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: misdelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: misdelend
Past participle - Verleden deelwoord: misdeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmisdeel
jijmisdeelt
hijmisdeelt
wijmisdelen
julliemisdelen
zijmisdelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb misdeeld
jijhebt misdeeld
hijheeft misdeeld
wijhebben misdeeld
julliehebben misdeeld
zijhebben misdeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmisdeelde
jijmisdeelde
hijmisdeelde
wijmisdeelden
julliemisdeelden
zijmisdeelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad misdeeld
jijhad misdeeld
hijhad misdeeld
wijhadden misdeeld
julliehadden misdeeld
zijhadden misdeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal misdelen
jijzult misdelen
hijzal misdelen
wijzullen misdelen
julliezullen misdelen
zijzullen misdelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal misdeeld hebben
jijzult misdeeld hebben
hijzal misdeeld hebben
wijzullen misdeeld hebben
julliezullen misdeeld hebben
zijzullen misdeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou misdelen
jijzou misdelen
hijzou misdelen
wijzouden misdelen
julliezouden misdelen
zijzouden misdelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou misdeeld hebben
jijzou misdeeld hebben
hijzou misdeeld hebben
wijzouden misdeeld hebben
julliezouden misdeeld hebben
zijzouden misdeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmisdeel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information