meedelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of meedelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: meedelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: meedelend
Past participle - Verleden deelwoord: meegedeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeel mee
jijdeelt mee
hijdeelt mee
wijdelen mee
julliedelen mee
zijdelen mee

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb meegedeeld
jijhebt meegedeeld
hijheeft meegedeeld
wijhebben meegedeeld
julliehebben meegedeeld
zijhebben meegedeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeelde mee
jijdeelde mee
hijdeelde mee
wijdeelden mee
julliedeelden mee
zijdeelden mee

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad meegedeeld
jijhad meegedeeld
hijhad meegedeeld
wijhadden meegedeeld
julliehadden meegedeeld
zijhadden meegedeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal meedelen
jijzult meedelen
hijzal meedelen
wijzullen meedelen
julliezullen meedelen
zijzullen meedelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal meegedeeld hebben
jijzult meegedeeld hebben
hijzal meegedeeld hebben
wijzullen meegedeeld hebben
julliezullen meegedeeld hebben
zijzullen meegedeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou meedelen
jijzou meedelen
hijzou meedelen
wijzouden meedelen
julliezouden meedelen
zijzouden meedelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou meegedeeld hebben
jijzou meegedeeld hebben
hijzou meegedeeld hebben
wijzouden meegedeeld hebben
julliezouden meegedeeld hebben
zijzouden meegedeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeel mee

Translations

  • communicate, to impart information or knowledge of; to make known, to tell
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From mee (“with”) + delen (“to divide”). Alternative form of mededelen. Compare German mitteilen.

    Additional Information