lamineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lamineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lamineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: laminerend
Past participle - Verleden deelwoord: gelamineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklamineer
jijlamineert
hijlamineert
wijlamineren
jullielamineren
zijlamineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelamineerd
jijhebt gelamineerd
hijheeft gelamineerd
wijhebben gelamineerd
julliehebben gelamineerd
zijhebben gelamineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklamineerde
jijlamineerde
hijlamineerde
wijlamineerden
jullielamineerden
zijlamineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelamineerd
jijhad gelamineerd
hijhad gelamineerd
wijhadden gelamineerd
julliehadden gelamineerd
zijhadden gelamineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lamineren
jijzult lamineren
hijzal lamineren
wijzullen lamineren
julliezullen lamineren
zijzullen lamineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelamineerd hebben
jijzult gelamineerd hebben
hijzal gelamineerd hebben
wijzullen gelamineerd hebben
julliezullen gelamineerd hebben
zijzullen gelamineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lamineren
jijzou lamineren
hijzou lamineren
wijzouden lamineren
julliezouden lamineren
zijzouden lamineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelamineerd hebben
jijzou gelamineerd hebben
hijzou gelamineerd hebben
wijzouden gelamineerd hebben
julliezouden gelamineerd hebben
zijzouden gelamineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlamineer

Translations

  • laminate, To assemble from thin sheets
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information