kisten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kisten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kisten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kistend
Past participle - Verleden deelwoord: gekist

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkist
jijkist
hijkist
wijkisten
julliekisten
zijkisten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekist
jijhebt gekist
hijheeft gekist
wijhebben gekist
julliehebben gekist
zijhebben gekist

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkistte
jijkistte
hijkistte
wijkistten
julliekistten
zijkistten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekist
jijhad gekist
hijhad gekist
wijhadden gekist
julliehadden gekist
zijhadden gekist

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kisten
jijzult kisten
hijzal kisten
wijzullen kisten
julliezullen kisten
zijzullen kisten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekist hebben
jijzult gekist hebben
hijzal gekist hebben
wijzullen gekist hebben
julliezullen gekist hebben
zijzullen gekist hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kisten
jijzou kisten
hijzou kisten
wijzouden kisten
julliezouden kisten
zijzouden kisten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekist hebben
jijzou gekist hebben
hijzou gekist hebben
wijzouden gekist hebben
julliezouden gekist hebben
zijzouden gekist hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkist

Verbs similar to 'kisten'

gisten, kosten, kwisten, bijten, eisen, fitten, fusten, gieten, katten, kieken,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Laat je niet kisten! (Don't let them get to you!)

Etymology

From kist (“coffin”) + -en.

Additional Information