kelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkeel
jijkeelt
hijkeelt
wijkelen
julliekelen
zijkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekeeld
jijhebt gekeeld
hijheeft gekeeld
wijhebben gekeeld
julliehebben gekeeld
zijhebben gekeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkeelde
jijkeelde
hijkeelde
wijkeelden
julliekeelden
zijkeelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekeeld
jijhad gekeeld
hijhad gekeeld
wijhadden gekeeld
julliehadden gekeeld
zijhadden gekeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kelen
jijzult kelen
hijzal kelen
wijzullen kelen
julliezullen kelen
zijzullen kelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekeeld hebben
jijzult gekeeld hebben
hijzal gekeeld hebben
wijzullen gekeeld hebben
julliezullen gekeeld hebben
zijzullen gekeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kelen
jijzou kelen
hijzou kelen
wijzouden kelen
julliezouden kelen
zijzouden kelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekeeld hebben
jijzou gekeeld hebben
hijzou gekeeld hebben
wijzouden gekeeld hebben
julliezouden gekeeld hebben
zijzouden gekeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkeel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

vermoorden
afmaken, doden, doodschieten, liquideren, mollen, ombrengen, vergiftigen, wurgen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch kelen. Equivalent to keel + -en.

Additional Information