wurgen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wurgen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wurgen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wurgend
Past participle - Verleden deelwoord: gewurgd

Cognates

See the 2 cognates of wurgen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwurg
jijwurgt
hijwurgt
wijwurgen
julliewurgen
zijwurgen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewurgd
jijhebt gewurgd
hijheeft gewurgd
wijhebben gewurgd
julliehebben gewurgd
zijhebben gewurgd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwurgde
jijwurgde
hijwurgde
wijwurgden
julliewurgden
zijwurgden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewurgd
jijhad gewurgd
hijhad gewurgd
wijhadden gewurgd
julliehadden gewurgd
zijhadden gewurgd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wurgen
jijzult wurgen
hijzal wurgen
wijzullen wurgen
julliezullen wurgen
zijzullen wurgen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewurgd hebben
jijzult gewurgd hebben
hijzal gewurgd hebben
wijzullen gewurgd hebben
julliezullen gewurgd hebben
zijzullen gewurgd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wurgen
jijzou wurgen
hijzou wurgen
wijzouden wurgen
julliezouden wurgen
zijzouden wurgen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewurgd hebben
jijzou gewurgd hebben
hijzou gewurgd hebben
wijzouden gewurgd hebben
julliezouden gewurgd hebben
zijzouden gewurgd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwurg

Translations

  • choke, prevent someone from breathing by strangling them
  • neck, hang by the neck; strangle; kill
  • strangle, to kill someone by strangulation
  • throttle, to strangle someone
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    smoren
    onderdrukken, verstikken
    vermoorden
    afmaken, doden, doodschieten, kelen, liquideren, mollen, ombrengen, vergiftigen

    Sample Sentences

    Etymology

    1. From Middle Dutch worgen, wurgen, from Old Dutch *wurgen, from Proto-Germanic *wurgijaną, from Proto-Indo-European *werǵʰ- (“bind, squeeze”).
    2. Cognate with German würgen, English worry. See: Proto-Germanic '*wurgijaną', German, old spelling 'würgen', English 'worry'.

    Verbs referencing "wurgen"

    German, old spelling würgen, Old English wyrgan, Wymysorys wjȳgja.

    Additional Information