inverteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inverteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inverteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inverterend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnverteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinverteer
jijinverteert
hijinverteert
wijinverteren
jullieinverteren
zijinverteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnverteerd
jijhebt geïnverteerd
hijheeft geïnverteerd
wijhebben geïnverteerd
julliehebben geïnverteerd
zijhebben geïnverteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinverteerde
jijinverteerde
hijinverteerde
wijinverteerden
jullieinverteerden
zijinverteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnverteerd
jijhad geïnverteerd
hijhad geïnverteerd
wijhadden geïnverteerd
julliehadden geïnverteerd
zijhadden geïnverteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inverteren
jijzult inverteren
hijzal inverteren
wijzullen inverteren
julliezullen inverteren
zijzullen inverteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnverteerd hebben
jijzult geïnverteerd hebben
hijzal geïnverteerd hebben
wijzullen geïnverteerd hebben
julliezullen geïnverteerd hebben
zijzullen geïnverteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inverteren
jijzou inverteren
hijzou inverteren
wijzouden inverteren
julliezouden inverteren
zijzouden inverteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnverteerd hebben
jijzou geïnverteerd hebben
hijzou geïnverteerd hebben
wijzouden geïnverteerd hebben
julliezouden geïnverteerd hebben
zijzouden geïnverteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinverteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information